direct naar inhoud van 4.1 Landschap
Plan: Golsteinseweg 6
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0687.BPBGMGOL-VG99

4.1 Landschap

Kern- en landschapskwaliteiten

Belangrijke voorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied is dat de ontwikkeling landschappelijk goed wordt ingepast. Het gaat er daarbij vooral om hoe de nieuwe ontwikkeling zich verhoudt met in het Omgevingsplan benoemde kern- en landschapskwaliteiten van het Nationaal Landschap.

Deze kernkwaliteiten staan in tabel 1, 2, en 3. Als voornaamste kwaliteiten gelden de ongereptheid en gaafheid van het landschap met overheersend en beeldbepalend agrarisch karakter. Dit landschap is als gezichtsbepalend Zeeuws landschap door de provincie aangemerkt.

Tabel 4.1. Landschapstypologie (tabel 4.9 Omgevingsplan Zeeland)

landschapstype   karakteristiek   strategie  
Polderlandschap (algemeen)   Ongerept en relatief gaaf landschap met overheersend en beeldbepalend agrarisch karakter
Logisch en min of meer regelmatig bebouwingspatroon op schaalniveau van agrarische bouwkavels, afgewisseld met dorpen
Gezichtsbepalend en meest algemeen Zeeuws landschap  
Voor het hele Zeeuwse polderland geldt, dat ontwikkelingen inpasbaar zijn als zij passen bij het landelijk en agrarisch karakter en de bijbehorende landschappelijke kenmerken. Daarbij gaat het om aard en omvang (schaal, verkavelingstructuur, bebouwing). Bijzonder karakteristieke of gave landschappen vragen nadrukkelijker om toepassing van dit principe. Naast inpasbaarheid van ontwikkelingen gaat het ook om actieve versterking van de landschappelijke kenmerken.
 
Kreekruggen/
Poelgrondenlandschap  
Herkenbaar grootschalig patroon van besloten kreekruggen en open poelgebieden met veelal geen tot weinig bebouwing en opgaande beplanting.
 
Inpassing van nieuwe ontwikkelingen in overeenstemming met grootschalig landschappelijk patroon: verdichting op de kreekruggen, behoud openheid in de poelgebieden.
 

Tabel 4.2. Karakteristiek en strategie cultuurhistorische hoofdstructuur (tabel 4.10 Omgevingsplan Zeeland)

karakteristiek   strategie  
Bewoningsresten uit IJzertijd en Romeinse Tijd onder de middeleeuwse kleiafzettingen Nederzettingen vanaf de Vroege middeleeuwen, waaronder de ringwalburchten van Oost-Souburg, Middelburg en Domburg, waardevolle steden (Middelburg, Veere, Vlissingen) en dorpen
Verdedigingswerken vanaf de Middeleeuwen (vliedbergen, stedelijke vestingwerken) tot en met WOII (Landfront Vlissingen)
Landschappelijke opbouw en samenhang gebaseerd op de geomorfologie en het naoorlogse landschapsplan: open, vrij schaars bewoonde en onbeplante poelgronden, meer besloten, bebouwde en beplante kreekruggen  
Versterken samenhang en herkenbaarheid voorwaarde voor inpassen nieuwe ontwikkeling
Nederzettingen en verdedigingswerken: behoud door ontwikkeling  

Tabel 4.3. Kernkwaliteiten Nationaal Landschap (tabel 4.11.1 Omgevingsplan Zeeland)

landschapstype   kernkwaliteit  
Stedelijk landschap   Herkenbare structuur van verstedelijking die is gekoppeld aan hogere ligging van kreekruggen.  
Dijkenlandschap   Agrarisch karakter met relatief grootschalige verkaveling en veelal beplante binnendijken.  
Kreekruggen/ poelgrondenlandschap   In het landschap herkenbare kreekruggen en open poelgebieden  
Natuurlandschap   Bijzonder duinlandschap aan de noordwestzijde (o.a. de Mantelingen) en de zuidwestzijde
(o.a. Kaapduinen)  
Groen wonen landschap/ recreatielandschap   Bebost duinlandschap met (historische) landgoederen en buitenplaatsen en met uitgebreide recreatieve voorzieningen  
   
cultuurhistorisch gebiedstype   kernkwaliteiten  
Strandwallenlandschap Oudland   Duinen en zeedijken, paalhoofden langs de kust, buitenplaatsen
Middeleeuwse nederzettingspatronen, een groot aantal vliedbergen, contrast lager gelegen poelgronden en hoger gelegen kreekruggen  
Bijzondere bouwwerken   Historische boerderijen, molens, stads- en dorpsgezichten en monumentale bebouwing in de kernen  

Beoordeling en conclusie

De beoogde ontwikkeling vormt geen aantasting van kernkwaliteiten, maar een versterking van het ruimtelijk beeld.

Het erf ligt op een kreekrug. Deze ligging is kenmerkend voor Walcheren. De beoogde maatschappelijke zorgfunctie wordt gehuisvest op een bestaand erf. Van een nieuwe ontwikkeling in het buitengebied is zodoende geen sprake. De bestaande woning wordt gehandhaafd en in overeenkomstige bouwstijl en bouwhoogte (éen bouwlaag met kap) uitgebreid. Ook de dagbehandelingsruimte wordt in dezelfde bouwstijl gerealiseerd en kent een bouwhoogte van één bouwlaag met kap. Sprake is van een relatief lage bebouwing welke voorts van de Golsteinseweg af is gelegen. De landschappelijk detonerende damwandloods wordt gesloopt. In totaal neemt het bebouwd oppervlak niet toe. De impact van de nieuwbouw op de omgeving is dan ook verwaarloosbaar. Gesteld kan zelfs worden dat de nieuwe situatie een ruimtelijke kwaliteitsverbetering impliceert: met name door de sloop van de landschappelijk detonerende rode damwandloods, maar ook door het creëren van samenhang in architectuur/bouwstijl van de beoogde bebouwing.