direct naar inhoud van 4.4 Ecologie
Plan: Golsteinseweg 6
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0687.BPBGMGOL-VG99

4.4 Ecologie

In deze ecologieparagraaf is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is aangegeven waaraan de voorgenomen ontwikkeling- wat ecologie betreft - moet worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van rijk, provincie en gemeente.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt in het buitengebied ten noorden van de stad Middelburg en vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000. De planlocatie maakt ook geen deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS).

Soortenbescherming

De beoogde ontwikkeling voorziet in het slopen van een damwandloods, een uitbreiding van de bestaande woning en het bouwen van een ruimte voor dagbesteding/dagbehandeling. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen algemene natuurwaarden (planten, zoogdieren en amfibieën) en broedvogels.

Waargenomen soorten

Tijdens het veldbezoek op 4 augustus 2011 zijn er geen broedvogels met een vaste nestplaats vastgesteld. De schaarse beplanting die op het terrein aanwezig is biedt wel mogelijkheden voor enige broedvogels (merle, houtduif, tortelduif). Daarnaast kunnen algemene soorten muizen voorkomen. De te slopen damwandloods is ongeschikt als verblijfplaats van de zwaar beschermde vleermuis. Overige beschermde soorten zijn gezien het intensieve niveau van inrichting en onderhoud niet te verwachten.

Beoordeling

In het plangebied zijn alleen algemene soorten waargenomen. Er is geen ontheffing nodig voor de soorten uit categorie 1 (algemene soorten) waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet geldt. De aantasting en verstoring van broedvogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (broedseizoen is globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten of geen broedvogels te verstoren.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat voor de beoogde ontwikkeling geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist is. Hierbij dient wel gewerkt te worden volgens de principes van zorgvuldig handelen en mogen broedvogels niet worden verstoord.

Wat de gebiedsbescherming betreft mag worden geconcludeerd dat zowel de Natuurbeschermingswet 1998 als de Ecologische hoofdstructuur geen beletsel vormen voor de ontwikkeling.