direct naar inhoud van 4.5 Bodemkwaliteit
Plan: Golsteinseweg 6
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0687.BPBGMGOL-VG99

4.5 Bodemkwaliteit

Beleidskader

Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. In dat besluit wordt uitgegaan van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.

In de gemeente Middelburg zijn op basis van de "Vrijstellingsregeling grondverzet" Bodemkwaliteitskaarten en bijbehorende Bodembeheerplannen opgesteld. Deze zijn in 2008 opnieuw vastgesteld, waardoor voor een periode van maximaal 5 jaar in vrijwel de gehele gemeente nog het overgangsbeleid van het Besluit Bodemkwaliteit geldt. Resultaten van bodemonderzoeken dienen dus ook getoetst te worden aan de geldende Bodemkwaliteitskaarten en de bijbehorende Bodembeheerplannen.

In de gemeente Middelburg geldt dat bij nieuwbouwactiviteiten, functiewijzigingen en/of herinrichtingen in principe altijd een volledig verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) moet worden uitgevoerd. Onderzoek is niet nodig ingeval er sprake is van bijvoorbeeld een gering oppervlak en / of geen gevoelige bestemmingen. Voor de planlocatie is ten minste een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.

Indien op basis van de onderzoeksresultaten er belemmeringen voor de voorgenomen plannen zijn, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen genomen moeten worden om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).

Onderzoek en resultaten

In opdracht van Stichting Arduin (dhr. H.Koole) is een verkennend bodemonderzoek en een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Golsteinseweg 6 te Middelburg. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in "Rapport inzake verkennend onderzoek conform NEN 5740/AS3000, alsmede aanvullend onderzoek opslagtanks, De BodemOnderZoeker BV, BOZ-10211A, 26 juli 2011). In deze paragraaf wordt volstaan met de volgende samenvatting.

Samenvatting bodemonderzoek

Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het indicatief vaststellen van de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) op de onderzoekslocatie met betrekking tot milieuverontreinigde stoffen.

Op basis van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

  • Het bodemprofiel ter plaatse bestaat in het algemeen vanaf het maaiveld tot 4.0 meter minus maaiveld (m-m.v.) uit sterk zandige klei.
  • In de boringen 6, 9 en 16 is vanaf het maaiveld tot 0.5 m-m.v. een zeer lichte hoeveelheid puin in de bodem aangetroffen. In de boring 9 is van 1.0 tot 2.0 m-m.v. eveneens een zeer lichte hoeveelheid puin in de bodem aangetroffen.
  • Boringen (peilbuizen) 101 en 102 zijn geplaatst op de locatie waar opslagtanks hebben gelegen.
  • Ter plaatse van de boringen zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die verontreiniging van de bodem vermoeden.
  • In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond. In de vrijkomende grond worden/zijn geen aanwijzingen aangetroffen die zouden kunnen duiden op het voorkomen van asbesthoudende materialen.
  • Het grondwater is ter plaatse aangetroffen op een diepte van circa 1.5 m-m.v.
  • In de bodem (boven- en ondergrond) zijn geen van de onderzochte stoffen en verbindingen boven achtergrondwaarde aangetoond.
  • In het ondiepe grondwater zijn geen van de onderzochte stoffen en verbindingen boven streefwaarde aangetoond.
  • Ter plaatse van de voormalige ondergrondse opslagtanks zijn in de bovengrond en in de contactlaag grond/grondwater grondwater geen van de onderzochte stoffen en verbindingen boven de achtergrondwaarde en streefwaarde aangetroffen.
  • In het ondiepe grondwater ter plaatse van de voormalige opslagtank is de parameter xyleen (som) uiterts licht boven streefwaarde aangetroffen. De overige onderzochte stoffen en verbindingen zijn niet boven de streefwaarde aangetoond.

De onderzoekslocatie (inclusief de locatie van de opslagtanks) wordt aangemerkt als niet verdachte locatie.

Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek en het aanvullend bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie.

Conclusie

Op grond van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit geen belemmering oplevert voor de beoogde ontwikkeling.